Boeddhisme

Anicca

Vergankelijkheid: alles wat ontstaat, vergaat weer.

Anicca is een Pali-woord dat vergankelijkheid of onbestendigheid betekent. In de leer van de Boeddha is het het eerste van de drie kenmerken van het bestaan, samen met dukkha, onbevredigdheid, en anatta, niet-zelf. Alles wat ontstaat uit oorzaken en voorwaarden, zal ook weer vergaan: lichamen, gevoelens, gedachten, relaties, bergen en sterren.

Dat klinkt somber, maar in het boeddhisme is het inzicht in vergankelijkheid juist bevrijdend. Veel lijden ontstaat doordat we ons vastklampen aan wat niet kan blijven, of wegduwen wat voorbij zal gaan. Wie werkelijk ziet dat alles verandert, kan lichter vasthouden: genieten zonder te grijpen, verdriet voelen zonder erin te verdrinken. De laatste woorden van de Boeddha luidden volgens de overlevering: alle samengestelde dingen zijn vergankelijk; streef met toewijding.

In de meditatie wordt anicca niet alleen als idee begrepen, maar ervaren: je ziet hoe een ademhaling komt en gaat, hoe een gevoel opkomt en verdwijnt, hoe gedachten voorbijtrekken. In de vipassana-traditie is dat de kern van inzichtmeditatie.

Voor dromen is vergankelijkheid een vruchtbaar begrip. Dromen zelf zijn het beste voorbeeld van onbestendigheid: ze voelen echt en verdwijnen bij het ontwaken. Beelden als smeltende sneeuw, vallende bladeren, een huis dat afbrokkelt of een overledene die weer weggaat, worden in boeddhistische lezingen vaak in het licht van anicca gelezen: niet als onheil, maar als uitnodiging om los te laten.

De Japanse dichtkunst kent een verwant gevoel, mono no aware: de zachte ontroering om de vergankelijkheid van dingen, zoals bij vallende kersenbloesem. Vergankelijkheid geldt voor het prettige en het pijnlijke: ook een zware periode gaat voorbij.

Op Dreamkin gebruiken de boeddhistische lezingen dit perspectief om met rust naar nare dromen te kijken.

Verwante begrippen